KEI: wat betekent dat voor de juridische professional? (I)

KEI, een grote (?) aanpassing in het burgerlijke en bestuursrechtelijke procesrecht is het resultaat van een brainstormsessie binnen de rechtspraak op Goede Vrijdag 2012. Binnen de boezem van de rechtspraak is toen het plan vormgegeven tot een grote digitaliseringsslag binnen de rechtspraak en de rechter ook meer greep (lees: regie) op de procedure zelf te gaan geven.

Er is veel nadruk geweest, met name bij de deurwaarders, op het verdwijnen van de dagvaarding maar gelukkig heeft de KBvG niet ingezet op het behoud van dat stuk alhoewel daar, gezien het enorme nut van dat stuk, alle reden toe was en is. Hoe goed (of als u wilt slecht) het geheugen van de politiek is blijkt wel uit het gegeven dat tijdens de parlementaire behandeling in de tweede kamer geen enkel kamerlid een woord aan de dagvaarding heeft gewijd.

Het geheel dat nu bij de Kamer ligt mag vanuit de visie van innovatie met recht een teleurstelling worden genoemd want waar is die innovatie? Akkoord: het gaat digitaal en dan? Daarvoor hoeven Rechtsvordering en de AWB niet overhoop te worden gehaald: jaren geleden is 125 lid 3 Rv daarvoor ingevoerd. Komt er een nieuw procesmodel dat voor alle proceduregangen gaat gelden, nee. Niet dat ik dat betreur overigens.

Het is overigens een populaire misvatting dat de dagvaarding vervangen wordt door een verzoekschrift. Ook het verzoekschrift verdwijnt in zijn huidige vorm en er komt een nieuw model dat de naam “procesinleiding” heeft gekregen. U moet u daarbij voorstellen dat men inlogt op de site www.mijnzaak.nl en daar een procesinleiding op gaat stellen. Het is feitelijk (maar ik baseer me op info van derden, het is allemaal immers nog niet openbaar wat daar gebeurt…) het invullen van velden overeenkomstig het nieuwe art. 30a Rv. Denk aan naw gegevens van eiser en wederpartij of belanghebbende, bevoegde rechter, gronden, vordering etc etc. Met die indiening is de zaak aanhangig, dat is dus anders als onder huidig recht. De wetgever heeft art. 111 Rv doormidden geknipt en de leden a tot en met e naar nieuw art. 30a overgeheveld.

Het gebrek aan innovatie blijkt ook duidelijk uit dat nieuwe art. 30a Rv: men moet meteen duidelijk maken of het een vordering (lees voorheen dagvaarding) of verzoek (lees voorheen verzoekschrift is) betreft. Afhankelijk van die keuze zal de zaak binnen het gerecht verschillend worden afgedaan. Echte innovatie zoals in de jaren 90 in Groot Brittannië is duidelijk nooit te verwachten geweest. Het is enkel een digitaliseringsslag met mineure flankerende aanpassingen en juist dat heeft wel tot veel Kamervragen geleid, want wie krijgt de zwarte piet als de automatisering faalt.

Net als de zgn. millenniumbug

[1] in 2000 zal de invoering van KEI hopelijk tot een forse upgrade van automatisering van rechtshulpverleners gaan leiden. Voorkomen is beter dan genezen want de vraag is in hoeverre de rechterlijke macht bereid zal zijn zich echt te gaan verdiepen in de vraag wie in een concreet geval verwijtbaar is dat iets niet op tijd is ingediend. In het huidige Rv is 33 Rv vaker de reddende engel geweest, in nieuw Rv is dat voorbij omdat alle gegevens in een keer worden geüpload en dat moet hoe dan ook voor 24.00 uur zijn. De wijziging van dagvaarding in procesinleiding betekent de zoveelste verhoging van de kosten voor eisers: immers griffierecht aan de poort betalen!!

Zodra de stukken binnen zijn komt de (digitale) griffier in actie. Als het een vordering (lees voorheen dagvaarding) betreft, zal een zgn. oproepingsbericht worden gemaakt dat feitelijk dezelfde gegevens bevat als de huidige dagvaarding. Ingeval van een verzoek zal de griffier voor toezending zorgen. Het is een vel met instructies met daarbij gevoegd alle door eiser ingediende stukken.

De griffier geeft, als het een vordering betreft (via de eiser), instructies aan de gedaagde, zoals het door gedaagde te betalen griffierecht en de voor leken onbegrijpelijke mededelingen die nu in art. 111 Rv lid 2 onder k tot en met l staan. De mededelingen/aanzeggingen die tot nu toe in de dagvaarding staan verhuizen naar het oproepingsbericht dat eiser moet laten bezorgen of betekenen.

Een nieuwigheid aan KEI is dat men dit zgn. oproepingsbericht zonder tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder aan de gedaagde mag zenden en dat deze dan kan verschijnen. De eiser die dit doet, of beter gezegd, zijn advocaat, neemt wel een risico want als de gedaagde niet verschijnt treedt er forse vertraging op: dan moet alsnog de deurwaarder er bij worden gehaald en krijgt de gedaagde nader uitstel.

Het “verschijnen” is een van de andere nieuwigheden van het systeem. In het dagvaardingsmodel van huidig 111 Rv geldt volledige partijautonomie voor wat betreft de zittingdatum. De eiser is enkel gebonden aan 114-119 Rv voor wat betreft de minimumtermijn, een maximumtermijn is er niet. De gedaagde die de termijn te lang vindt kan immers anticiperen.

In KEI is de eiser gebonden aan een minimumtermijn van 4 weken en een maximumtermijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de indiening. De eiser geeft de gedaagde een minimumtermijn om te verschijnen en een maximumtermijn. De gedaagde kan zich op elk moment via een advocaat bij de rechtspraak melden waarna de zaak een feitelijke aanvang neemt. De gedaagde kan als hij dat wil terstond verschijnen en meteen antwoorden, hij kan ook met stellen wachten tot de maximale termijn (bijvoorbeeld 6 maanden) is gebruikt.

Hiermee is de klassieke rol te grave gedragen. In zaken bij de rechtbanken verdwijnen daarom de zittingen (op woensdag). Stelt u zich dus een groot prikbord voor waarop alle zaken zijn opgenomen. De zaken komen allemaal binnen met de status ingediend, wachten op verschijnen gedaagde. De zaken zijn niet gebonden aan een rol. Een gedaagde kan op elk moment verschijnen waarmee de termijn voor antwoord gaat lopen. De buitengrens is de door de eiser opgenomen maximumtermijn. Als de gedaagde niet verschijnt komt de vraag of verstek mag worden verleend.

De wetgever heeft terecht gekozen voor een goede bewaking van de rechten van gedaagde: dit is ook zijn taak als bewaker van rechtsstatelijke normen. Er is krachtens 112 Rv geen verstek mogelijk zonder bewijs van betekening. De eiser heeft 3 mogelijkheden: hij laat het stuk meteen betekenen na indiening en garandeert zo eventuele verstekverlening, hij laat het stuk niet betekenen en neemt het risico van vertraging, hij past 113 Rv toe en laat het stuk betekenen voor indiening.

Deze laatste bepaling is opgenomen op aandringen van de KBvG die terecht wees op het gegeven dat indiening betaling van griffierecht betekent, geen controle op insolventie door de deurwaarder mogelijk maakt en mogelijk ook foute naw-gegevens worden gebruikt.

Hiervoor is geregeld dat de deurwaarder binnen het systeem van de rechtspraak als het ware plaats reserveert voor een nog aanhangig te maken zaak want de wetgever is wel duidelijk: enkel door het uploaden wordt een zaak aanhangig.

Concreet: de eiser maakt de zaak op maandag 17 augustus 2015 aanhangig door het uploaden van de zaak naar mijn zaak (populair: de zaak is aanhangig gemaakt door indiening). Hij heeft cfm 30a Rv de gedaagde een minimum termijn gegeven van 4 weken en een maximum van 6 weken. De advocaat krijgt binnen enkele minuten bericht van de griffie bericht dat de zaak is ingenomen en hij krijgt het zgn. oproepingsbericht ex. Art. 111 Rv terug. Eiser kan dit zelf aan gedaagde toezenden en hem uitnodigen te verschijnen. Als gedaagde dit doet (dat kan dezelfde dag nog) zal de zaak meteen op antwoord komen te staan en moet de gedaagde uiterlijk na 6 weken antwoorden. Dit is een ideaalbeeld en zal zich wel eens voordoen als partijen het er over eens zijn dat ze het oneens zijn en dat als volwassen mensen willen uitprocederen.

Als gedaagde niets doet zal de griffier op 6 weken plus 1 dag vragen om een betekeningsexploot. De eiser die goedkoop uit wilde zijn kan dan alsnog naar een deurwaarder gaan die gaat betekenen maar wel met een nieuwe termijn voor gedaagde, dus vertraging.

Onmiddellijke betekening door de deurwaarder garandeert een snel verloop en verstekverlening. Artikel 113 maakt het mogelijk de zaak voorafgaand aan indienen al te betekenen. De voordelen zijn duidelijk: (nog) geen griffierecht en een adrescheck. Artikel 113 roept wel een aantal praktijkproblemen op: formeel is een zaak pas aanhangig na indiening ter griffie zodat toepassing van dit artikel in zaken bij termijngevoelige zaken goed moet worden overwogen en bewaakt. Verder zijn er in de literatuur[2] kritische kanttekeningen gemaakt over stuiting van verjaring.

Het systeem verschijnen van de gedaagde is een andere nieuwigheid binnen KEI. De wetgever kiest voor (vrij vertaald) 1) in persoon verschijnen in KG 2) verschijnen bij advocaat en antwoorden 3) antwoorden of schriftelijk ter griffie verklaren dat men in het geding wil verschijnen. De wetgever schaft de rolzittingen af maar dan doemt meteen het probleem om op de gedaagde in kantonzaken verweer moet voeren. Vanaf het begin is de wetgever hierin vaag geweest, hopelijk brengt het aanstaande rolreglement hierover duidelijkheid want dit lijkt de wetgever aan de rechtspraak over te laten. Met alle respect voor de rechterlijke macht: zo iets elementairs hoort in de WET thuis.

KEI rekent definitief af met re- en dupliek: comparitie na antwoord is de norm en de rechtspraak (en politiek) blijft duidelijk doof voor het gegeven dat al die comparities veel tijd en geld kosten terwijl legio zaken op de stukken kunnen worden afgedaan. Ik huiver bij het idee dat in iedere zaak (zie art. 30 j Rv nieuw) gecompareerd moet worden. Legio gemachtigde neemt de begrijpelijke houding in dat schikken tot de comparitie mogelijk was maar dat de extra kosten van de comparitie tot een starre houding (lees: niet schikken) leiden.

De griffierechtheffing is vanaf het begin een bron van forse protesten geweest vanuit de KBvG. Pas bij de invoeringswet KEI[3] heeft de Minister duidelijkheid gegeven: bij intrekken – vooropgesteld dat gedaagde zich niet heeft gesteld – binnen de termijn van verschijnen wordt een derde van het griffierecht berekend met een maximum van € 500,–. Dit is en blijft een ordinaire bezuinigingsoperatie want op deze manier haalt V&J 4 miljoen euro (bron: KBvG) per jaar extra aan griffierechten binnen. Het zorgt verder voor een enorme rondpompen van geld want men heft eerst het volledige griffierecht om dat later weer bijna geheel terug te storten.

Dit is het eerste van een reeks artikelen die ik de komende maanden hierover zal publiceren, wordt dus vervolgd. U heeft wellicht gemerkt dat ik het enkel over Rv heb; die lijn zal ik ook blijven volgen. De wijzigingen aan de AWB laat ik aan anderen ter bespreking over.

[1] http://www.encyclo.nl/begrip/millenniumbug

[2] Teuben-Janssen, TCR 2015, nr. 2

[3] Kamerstuknummer 34212

By |2016-12-28T13:38:24+00:0017 augustus 2015|Cases|0 Comments

About the Author:

Meer weten over deze of andere interessante cases? Heeft u zelf een complexe zaak die u eens vrijblijvend wilt voorleggen? Neem contact met mij op, u kunt mij telefonisch bereiken op 023 - 5613465 of per e-mail via maarten@debloggendedeurwaarder.nl.

Leave A Comment