Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast en al helemaal bij een ontruiming…

Recentelijk werd ik bijna slachtoffer van een doodzonde: bij een kwestie keek ik niet in de geldende wettekst, enkel naar vrij recent (2014) gepubliceerde jurisprudentie…

Wat was het geval: een pand was met toepassing van 3:268 BW onderhands verkocht en daarna kreeg ik de grosse van de beschikking met verzoek betrokkene te ontruimen.

Ik had nog in herinnering een in 2014 (!) gepubliceerde beslissing van de rechtbank Roermond uit 2011[1]. Een schuldenaar vocht in die zaak de ontruiming aan omdat daar volgens hem geen titel voor bestond. De wet regelde in 525 Rv immers enkel de openbare veiling maar een schakelbepaling naar 3:268 of 548 Rv ontbrak.

In de Roermondse uitspraak is die kwestie voor zover mij bekend voor het eerst beslist, nota bene 20 jaar na invoering van het NBW. De voorzieningenrechter overwoog:

(..)

5.5. De volgende vraag, die beantwoord dient te worden, is of artikel 525 lid 3 Rv ook een ontruimingstitel geeft indien er sprake is van een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de executieleer meebrengt dat de verplichting van de geëxecuteerde het goed ter beschikking te stellen evenzeer inherent aan de executie is als de bevoegdheid van de executant tot juridische levering. Het begrip executie impliceert automatisch het recht van de koper ontruiming af te dwingen krachtens de titel waarbij hem het goed wordt toegewezen. Bij een onderhandse verkoop is die titel de beschikking van de rechtbank waarin wordt bepaald dat de verkoop onderhands zal geschieden en waarbij goedkeuring wordt verleend aan de koopovereenkomst. In de plaats van “proces-verbaal” in artikel 525 Rv mag dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar analogie “de beschikking van de rechtbank ex artikel 3:268 lid 2 BW” worden gelezen. In dit verband wordt verwezen naar de volgende literatuur: Van Ingen, JBN 1994 (7-8) 86, alsmede Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI 2010/392 en 419. Dit voorkomt de merkwaardige praktijk dat een koper op een executieveiling direct tot ontruiming kan overgaan uit kracht van het proces-verbaal, maar een koper wiens koopovereenkomst ex artikel 3:268 lid 2 BW door de voorzieningenrechter is goedgekeurd zich apart van een ontruimingstitel zou moeten voorzien. Gedaagden hebben een rechterlijke beschikking, waarbij de koopovereenkomst ex artikel 3:268 lid 2 is goedgekeurd, en dus ook een ontruimingstitel. Om die reden komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering.

 Gelukkig was iemand op kantoor zo verstandig in de nieuwe tekst van 3:268 lid 2 BW te kijken zoals die geldt vanaf 1 januari 2015 (!):

Op verzoek van de hypotheekhouder de hypotheekgever of degene die executoriaal beslag heeft gelegd kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. Indien door de hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde, die bij een hogere opbrengst van het goed belang heeft, voor de afloop van de behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden. Desverzocht veroordeelt de voorzieningenrechter bij de goedkeuring van een verzoek tot onderhandse verkoop tevens de hypotheekgever en de zijnen tot ontruiming van het verhypothekeerde goed tegen een bepaald tijdstip. De ontruiming vindt niet plaats voor het moment van inschrijving, bedoeld in artikel 89 van Boek 3.

Hoe zag oud lid 3:268 lid 2 BW er uit:

Op verzoek van de hypotheekhouder of de hypotheekgever kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. Indien door de hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde, die bij een hogere opbrengst van het goed belang heeft, voor de afloop van de behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.

Inderdaad: een nieuwe slotzin maar wel een cruciale want de ontruimingsveroordeling ontbrak in de grosse die mij ter hand was gesteld. Resultaat was een opdrachtgever die niet blij was en de voorzichtig gebrachte boodschap morrend in ontvangst nam. Voor mij ook een les: altijd in wettekst en jurisprudentie kijken!

[1] Voorzieningenrechter Roermond 15 november 2011 ECLI:NL:RBROE:2011:8643

By |2016-03-14T20:41:29+00:0014 maart 2016|Cases|0 Comments

About the Author:

Meer weten over deze of andere interessante cases? Heeft u zelf een complexe zaak die u eens vrijblijvend wilt voorleggen? Neem contact met mij op, u kunt mij telefonisch bereiken op 023 - 5613465 of per e-mail via maarten@debloggendedeurwaarder.nl.

Leave A Comment