Aanzeggen of niet aanzeggen, dat is de vraag

Met enige regelmaat wordt in de praktijk gediscussieerd over dit onderwerp en dan vooral gezien de kosten die er mee verbonden zijn.

Momenteel is bij de HR een zaak aanhangig op grond van 392 Rv (prejudiciële vragen). Volgens de site van de HR heeft de PG op 4 september jl geconcludeerd dus met enig geluk is het arrest in oktober te verwachten.

Art. 431A doelt op de overgang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Dat lijkt de duiden op rechtsovergang met de gevolgen zoals art. 6:142 BW die omschrijft maar die conclusie is niet juist. De bevoegdheid kan ook overgaan zonder overdracht. Een mooi voorbeeld van het laatste is de inning door de pandhouder of faillissementscurator. Niemand zal (hopelijk) durven stellen dat de pandhouder eigenaar wordt van de van de verpande vordering op het moment dat hij zijn vuistpand uitoefent. De curatoren van Imtech zijn – voor zover er niet verpande vorderingen zijn – geen eigenaren van die vordering maar wel exclusief inningsbevoegd. Recentelijk inde een beschermingsbewindvoerder een vonnis op naam van de onder bewind gestelde: geen overgang maar wel 431a Rv.

In tegenstelling tot wat wel geleerd is ben ik van mening dat bij incasso door het meerderjarige kind van een ten name van de moeder gegeven onderhoudsbeschikking voor opvoeding van het kind ook sprake is van overgang. Gedurende de minderjarigheid van het kind incasseert de moeder, niet namens het kind (dus qq) maar als verzorger. Als het kind 18 wordt verschuift de vordering naar het kind. De wetgever heeft een heel elegante oplossing bedacht in 1:395a en b BW: een overgang van rechtswege, zie ook Rechtbank Zwolle 23 december 2002 RBZWO:2002:AF2552.

Bekende voorbeelden van rechtsovergang zijn cessie, fusie (Postbank naar ING) , erfopvolging, subrogatie, splitsing van rechtspersonen, rechtsovergang bij wet (DUO!) etc. Bij fusie moet uiteraard worden onderzocht of er een verkrijgende dan wel verdwijnende partij is.

De kosten van de overgang kunnen aanzienlijk zijn als massaal 431a Rv moet worden toegepast. Bij de “oprichting” de IBG, het LISV en het UWV deed de wetgever het goed: men sloot 431A bij wet uit voor die gevallen. Bij de overgang van IBG naar de DUO vergat men dit echter met alle gevolgen van dien. De KBvG wees alle leden toen terecht op 431a Rv en de DUO moest uiteindelijk bakzeil halen en bracht de kosten niet de debiteur in rekening.

Dat 431a Rv een BTaG tarief heeft blijft me verbazen: ik ken de dooddoener dat de aanzegging nodig is omdat de schuldenaar nog niet heeft voldaan maar dat is een drogreden. De eisende partij doet iets dat 431a Rv “uitlokt”. Het moet naar mijn mening dan ook eiser zijn die de kosten moet dragen!

In de zaak van Achmea die nu bij de HR ligt gaat het ook niet om klein geld.

Citaat uit het nog steeds niet gepubliceerde (!) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2015:

3.1.   De gerechtsdeurwaarder verzoekt door middel van het onderhavige (deurwaarders)kort geding aan de voorzieningenrechter om een beslissing te geven over de vraag of het voor de voortzetting van de executie noodzakelijk is de rechtsovergang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel als gevolg van de juridische fusie van Agis aan gedaagde te betekenen, of dat kan worden volstaan met een minder bezwaarlijke wijze van bekendmaking van de rechtsovergang aan gedaagde;

3.2.   De gerechtsdeurwaarder en Achmea hebben hun stellingen naar voren gebracht. De mogelijkheid is besproken om in het kader van dit geschil (een) prejudiciële vra(a)g(en) aan de Hoge Raad te stellen, waarbij Achmea al vragen heeft geformuleerd waarop de gerechtsdeurwaarder heeft gereageerd en ook zelf een vraag heeft voorgesteld.

4.1.   Deze procedure strekt ertoe duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of Achmea op grond van artikel 431a Rv gehouden is de rechtsovergang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel als gevolg van de juridische fusie van Agis aan gedaagde te betekenen. Volgens de gerechtsdeurwaarder is dat het geval. Volgens Achmea niet. Achmea heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat er geen dan wel een onvoldoende rechtens te respecteren belang bestaat bij naleving van het betekeningsvoorschrift van artikel 431a Rv. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat hier sprake is van een juridische fusie waarbij Agis volledig is overgegaan in Achmea en waarbij het vermogen van Agis onder algemene titel door Achmea is verkregen. De fusie is bovendien publiekelijk bekend gemaakt. De wettelijke publicatievoorschriften zijn nageleefd, Achmea heeft persberichten uitgebracht en de betrokken schuldenaren bij herhaling van de fusie op de hoogte gesteld. Indien Achmea gehouden is de rechtsovergang van haar vorderingen als gevolg van de juridische fusie aan alle geëxecuteerden te betekenen, leidt dit tot een aanzienlijke kostenpost voor Achmea van ongeveer EUR 2,7 miljoen, nu zij heeft besloten om deze mogelijke betekeningskosten zélf voor haar rekening te nemen en niet door de geëxecuteerden te laten dragen, aldus Achmea.

4.2.   Gelet op de stukken en hetgeen de gerechtsdeurwaarder en Achmea ter zitting naar voren hebben gebracht, is een redelijke wetsuitleg van artikel 431a Rv nodig, in het bijzonder over de vraag of een rechtsovergang krachtens algemene titel op grond van een juridische fusie onder het betekeningsvoorschrift van artikel 431a Rv valt. Nu de wetsuitleg voor de rechtspraktijk in veel geschillen relevant zal zijn, zal dit in (een) prejudiciële vra(a)g(en) aan de Hoge Raad worden voorgelegd, zoals is vermeld onder 5.1.

Het publiek moet het al weten is het betoog. Ik houd alle nieuws redelijk goed bij dacht ik maar ik hoorde pas van deze fusie door het vonnis.

Het voorschrift is dwingend en wordt regelmatig toegepast: Rechtbank Almelo 1 mei 2012 (ECLI:NL:RBALM:2012:BW4449), Rechtbank Overijssel 28 januari 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:1013) en de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders op 20 januari 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:4).

Terzijde: statutaire naamswijziging en omzetting cfm. art. 2:18 BW (dus coöperatie BA naar UA, vereniging naar stichting, NV in BV) vallen niet onder art. 431A Rv omdat de rechtspersoon daar in stand blijft.

 Het wachten is nu op het arrest van de Hoge Raad.

(Blog: Aanzeggen of niet aanzeggen, dat is de vraag)

By |2016-12-28T13:38:23+00:0021 september 2015|Cases|0 Comments

About the Author:

Meer weten over deze of andere interessante cases? Heeft u zelf een complexe zaak die u eens vrijblijvend wilt voorleggen? Neem contact met mij op, u kunt mij telefonisch bereiken op 023 - 5613465 of per e-mail via maarten@debloggendedeurwaarder.nl.

Leave A Comment