Artikel 6:96 lid 6 BW: de kantonrechter te Almere doet er iets mee. Eindelijk…

Artikel 6:96 lid 6 BW: de kantonrechter te Almere pakt de handschoen op! Eindelijk…

In een van mijn eerste blogs de linkerhand weet bij het Hof Den Haag niet wat de rechterhand doet…. (11 augustus 2015), eindigde ik met: welke rechter pakt de handschoen op? Het heeft heel lang geduurd.

Collega Wisseborn stelt – naar mij is verteld – de berekening van de termijn van artikel 6:96 lid 6 BW met grote regelmaat in dagvaardingen aan de orde, tot nu toe zonder respons. In een zaak bij de kantonrechter te Roermond waarin het probleem van de 14 dagen overduidelijk speelde1 en de pre judiciële vragen op een presenteerblaadje werden aangeboden wees de kantonrechter nota bene in strijd  met het gepublceerde beleid de kosten toe.

Ineens is er nu een uitspraak van de kantonrechter te Almere2 in een Fa-med zaak.Uitspraaknummer ECLI:NL:RBMNE:2016:1575

In die zaak was de aanmaning 2 dagen voor dagtekening aangemaakt (een m.i., wel wat vreemd systeem) zodat men er van uit ging dat de debiteur de brief uiterlijk op de dagtekening zou ontvangen. Ook de Almeerse kantonrechter laat de termijn de dag daarna ingaan en stelt vanuit die benadering terecht dat die termijn  een dag te kort is.

Als ik de uitspraak lees krijg ik het misschien wat gevaarlijke gevoel dat na beantwoording van deze vragen de discussie eindelijk ten einde moet zijn.

Ik citeer:

  1. Vangt de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, van het BW aan de dag na de ontvangst door de schuldenaar van de veertiendagenbrief?
  2. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, kan bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten er dan vanuit worden gegaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief één dag na de dagtekening bezorgd wordt? Ook als we weten dat er in de regel geen brievenpost op zondag bezorgd wordt en bijvoorbeeld Post.nl ook op maandag geen briefpost bij particulieren bezorgt? Als hier niet van uit kan worden gegaan, met welke omstandigheden moet dan rekening worden gehouden en wat betekent dit dan voor de hierna nog te noemen stel- en bewijsplicht?
  3. Voldoet een brief aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, van het BW indien daarin melding is gemaakt van een betaaltermijn van veertien dagen en het toepasselijke incassobedrag volgens het Besluit is genoemd, maar geen of een onjuiste termijn van aanvang of einde van die veertiendagentermijn is genoemd? Hoe strikt moet de rechter dit toetsen?
  4. Wat is het rechtsgevolg als in een veertiendagenbrief geen of een onjuiste formulering van aanvang en/of einde van de veertiendagentermijn is vermeld?
    Maakt het in dat geval nog iets uit of de termijn een enkele dag te laat is en/of de schuldenaar heeft laten weten toch niet te kunnen betalen? Kan een onjuiste termijn gerepareerd worden geacht indien de schuldenaar (na enkele weken) nog een periode van tien dagen heeft gekregen en daarna (opnieuw enkele weken nadien) nog een laatste periode van zeven dagen heeft gekregen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd worden?
  5. Moet de schuldeiser stellen en bewijzen wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen en geëindigd, of moet de schuldenaar stellen en bewijzen dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de veertiendagenbrief heeft betaald?
  6. Maakt het voor de beantwoording van deze vragen verschil of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft? Maakt het bij een zaak op tegenspraak nog uit of er wel of geen verweer gevoerd is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten?

Vooral de beantwoording van de vragen onder c en d geformuleerd is vitaal. Het bestuur van de KBvG zal zich ongetwijfeld in de discussie mengen als voegende partij. Zoals al eerder is geconstateerd: het is wel triest dat de HR zich voor de derde keer in de 4 jaar na de inwerkingtreding van de WIK over deze materie uit moet laten. Gelukkig is de regeling van 392 Rv tegelijk met de WIK ingevoerd; ze had er voor gemaakt kunnen zijn. Zonder de mogelijkheid van pre judiciële vragen zou het nog vele jaren kunnen duren voordat specifieke cassatieklachten over de WIK bij de HR uit zouden komen.

1 Ik werk dat nu niet nader uit, ik ga er van uit dat de lezer bekend is met discussiepunt in de literatuur

2 Uitspraaknummer ECLI:NL:RBMNE:2016:1575

 

[wysija_form id=”3″]
By |2016-12-28T13:38:22+00:0029 maart 2016|Actueel, Nieuws|0 Comments

About the Author:

Meer weten over deze of andere interessante cases? Heeft u zelf een complexe zaak die u eens vrijblijvend wilt voorleggen? Neem contact met mij op, u kunt mij telefonisch bereiken op 023 - 5613465 of per e-mail via maarten@debloggendedeurwaarder.nl.

Leave A Comment